Er zijn 4 valkuilen bij het maken van SMART doelen die de meeste logopedisten maken. Ik ben erg benieuwd of deze jou bekend voorkomen…

De eerste valkuil is doelen op stoornis niveau. Daarna worden de meeste ‘fouten’ gemaakt bij het formuleren van SMART doelen zijn bij de S en de M.

De valkuilen zijn:

  1. 1. Het doel wordt gemaakt op stoornisniveau.

  2. 2. De doelen zijn vaak niet specifiek genoeg.

  3. 3. De doelen zijn vaak niet (goed) meetbaar.

  4. 4. De S en de M passen niet bij elkaar.

Valkuil 1

Over het algemeen zijn doelen op stoornisniveau het makkelijkste op te stellen. Echter doelen op stoornisniveau worden afgeleid van de testresultaten die op stoornisniveau worden ingevuld op het ICF model. Daardoor nodigt een doel op stoornisniveau uit dat het ten alle tijden gemeten dient te worden middels een test. Bovendien zijn (hoofd)doelen op stoornisniveau vaak niet heel motiverend voor de cliënt in kwestie. Het doel sluit namelijk voornamelijk aan op de testresultaten en niet op de hulpvraag en ervaren functioneringsproblemen van de cliënt. Doelen op stoornisniveau worden daarom bij TOS sterk afgeraden vanuit de richtlijn. Maar ik ga even een stapje verder. We kunnen beter sowieso geen doelen op stoornisniveau stellen, juist doordat het niet aansluit op de hulpvraag en ervaren functioneringsproblemen, oftewel het sluit niet aan op de cliënt als persoon maar als stoornis.

Hoe maak je een doel op stoornisniveau?

  1. 1. Kijk naar de resultaten van je onderzoek
  2. 2. Maak een specifieke keuze welk onderdeel je wilt behandelen
  3. 3. Noteer dit bij de S van SMART in je doelformulering
  4. 4. Maak dit meetbaar met hetzelfde onderzoek
  5. 5. Noteer dit bij de M van SMART in je doelformulering

Nadelen aan doelen op stoornisniveau

Aangezien je je doelen meetbaar maakt met hetzelfde onderzoek, dient de logopedist rekening te houden met wanneer het onderzoek herhaald mag worden. Bij de CELF 4 is dit na minimaal 9 maanden, aldus de CELF-ontwikkelaars. Bij de CELF 5 is dit na 6 maanden.

Dit is een nadeel aangezien een SMART hoofddoel die voor een periode gesteld wordt van 6 maanden, niet binnen dat termijn hertest kan worden. Dit kan pas na de periode van 6 maanden. Kijk je onderzoek na wanneer dit mag.

En zoals ik eerder aangaf, doelen op stoornis niveau gaan over de stoornis en niet de persoon zelf.

Valkuil 2

Doelen worden vaak niet specifiek genoeg gemaakt door de logopedist. Daardoor weet de cliënt niet precies waaraan gewerkt wordt. De doelen kunnen te groot zijn om tot concrete actie te komen. Het geeft weinig sturing, richting en zeer weinig motivatie.

Bij een ‘niet-specifiek doel’ weet de cliënt dus niet waar hij heen gaat. Dit is te vergelijken met bowlen zonder kegels. Kun je je voorstellen hoe zinloos dat zal voelen voor de bowler, om de handeling te moeten uitvoeren van het gooien van de bal, zonder doel, zonder kegels.

Bowlen

Stel je gaat bowlen met je vrienden. Je pakt de bowlingbal, loopt naar jouw baan en wil gaan richten. Maar verrek er staan geen kegels! Waar moet je heen gooien? Redelijk doelloze actie zou dat zijn toch?

EN als je wel gaat gooien en op die manier het spel gaat spelen, is het dan leuk? Hoe weet je of je scoort, dat het goed gaat, dat je aan het winnen bent? Bowlen zonder kegels is doelloos.

Behandelen zonder opgestelde doelen of mega vage doelen zodat de cliënt er niets aan heeft, is voor de cliënt ook doelloos.

Kapstokkreet

Sommige doelen bevatten een algemene ‘kapstokkreet’, zoals zinsontwikkeling. Wederom een veel te grote bewoording van het doel. Ook zo is bowlen niet leuk. Dit is te vergelijken met bowlen met een gordijn ertussen. De bowler gooit de bal de baan op, maar weet niet waar de kegels zijn om deze te raken. Zo ook met een ‘niet-specifiek doel’. Dat werkt zeer demotiverend.

Stel dat de bowler dan kegels raakt, maar weet niet welke en hoeveel. Hoe kan je dit succes dan vieren? En belangrijker nog, hoe weet je waarop je je volgende worp moet mikken. Zo ook met ‘niet-specifiek doelen’, ook daar zijn de successen moeilijk te vieren omdat niet specifiek is wat er geoefend en dus gevierd kan worden. En vervolgens bij de evaluatie welke vaardigheid nog de aandacht verdient.

Tip: Maak daarom je doel Specifiek. Doe dit door antwoord te geven op deze vragen: wat, waarom, wie, waar en hoe?

Valkuil 3

Om de vergelijking door te zetten bij de ‘niet-(goed)-meetbare doelen’, is het als volgt bij bowlen. Een ‘niet-(goed)-meetbare doel’ is wederom net als bowlen door een gordijn; de bowler gooit de bal, hoort de kegels vallen, maar weet niet hoeveel zijn om gevallen. Is het een strike, is het een spare? Hoe meet je de mate van succes van deze worp zonder de kegels te kunnen tellen?

Zo ook met een doel. Een doel is alleen maar een doel als deze meetbaar gemaakt kan worden. Anders is het slechts een wens.

Tip: Maak je doel goed meetbaar

Het meetbaar maken van een doel is eenvoudig. Het gaat om de vergelijking tussen de beginsituatie en de nieuwe situatie en of deze overeenkomt met de doelsituatie.

Om het simplistisch weer te geven:

Nieuwe (situatie)waarde – begin(situatie)waarde = doel(situatie)waarde

Deze waarde kan verschillende dingen behelzen. Dit kan een getal zijn, zoals een genormeerde score, een gestandaardiseerde uitkomst of een percentage. Daarnaast kan je ook gebruik maken van schalen zoals de VAS en de tevredenheidsschaal.

Let op:

Deze waarden zijn gekoppeld aan het soort doel wat de logopedist maakt.

  • De genormeerde score en percentages behoort tot doelen op stoornisniveau.
  • De gestandaardiseerde uitkomst en de tevredenheidsschaal voor doelen op activiteitenniveau.
  • De VAS schaal voor doelen op participatieniveau.

Valkuil 4

Het komt voor dat de S en de M niet matchen binnen het doel. Dat maakt het doel onlogisch en niet te volgen.

Het gebeurt maar al te vaak dat doelen bij de S bijvoorbeeld in de spontane situatie wordt geformuleerd en de meetbaarheid bij M op woordniveau plaats vindt. Dit matcht niet met elkaar, waardoor het doel niet meetbaar is.

Of dat de S op stoornisniveau wordt geformuleerd en de M op participatieniveau wordt beoordeeld. Wederom matcht dit niet met elkaar waardoor het doel niet meetbaar is.

Tip: Zorg dat de S en de M matchen.

Concreet gemaakt; Wanneer de logopedist een doel stelt waarbij de S op woordniveau is, dan behoort het instrument bij M ook voor woordniveau bedoeld te zijn.

 

Voorbeeld van een foutief doel

Binnen 6 maanden is de zinsontwikkeling op leeftijdsadequaat niveau, gemeten met de CELF zinnen formuleren.

Wat is hier allemaal niet goed? Het is omgekeerd denken, waardoor de logopedist kritischer leert kijken naar de doelen die zij maakt.

S: Het doel is niet specifiek genoeg, ‘zinsontwikkeling’ is veel te groot verwoord

M: Het doel is nog niet volledig meetbaar aangezien er geen doelwaarde genoteerd staat. Daarnaast is het (vaak) niet mogelijk om het onderzoek binnen 6 maanden te herhalen, waardoor het doel als  ‘niet-meetbaar’ dient te worden bestempeld.

A: of dit doel aanvaardbaar is voor de (ouders van de ) client is te betwijfelen, het spreekt absoluut niet tot de verbeelding. Het doet niets voor de motivatie. Grotendeels omdat het een doel op stoornisniveau is, zonder activiteiten- of participatie element erbij.

R: is leeftijdsadequaat realistisch? Het is vaak een heel makkelijk gebruikte term binnen doelen, al is het vaak een te grote stap. Tevens is de vraag of de gehele zinsontwikkeling binnen 6 maanden leeftijdsadequaat kan zijn, aangezien het ook niet specifiek is gemaakt.

T: binnen 6 maanden is duidelijk. Dit is echter niet hetzelfde als na 6 maanden.

 

Hoe moet het dan wel?

Stappenplan om SMART doelen te formuleren

Het (hoofd)doel welke gesteld wordt door een logopedist voor de cliënt kan gezien worden als een leerdoel. De cliënt moet namelijk nieuw gedrag leren.

Met dit inzicht zal gebruik worden gemaakt van de term ‘leerdoel’ i.p.v. ‘hoofddoel’.

Met onderstaand stappenplan kan de logopedist doelen meer concreet en dus ook meer SMART maken.

  1. 1. Leerdoel en leerresultaat
    1. a. Wat is het leerdoel van deze cliënt? Wat wil de cliënt leren? Dit is op vaardigheidsniveau, wat betekent een doel op activiteitenniveau.
    2. b. Wat zou het bereiken van dit leerdoel de cliënt opleveren? Dit is op vaardigheids- en deelnameniveau, wat betekent een doel op activiteiten- of participatieniveau.
  2. 2. Maak duidelijk waarom de cliënt voor een bepaald leerdoel kiest.
    1. Stel de cliënt verduidelijkende vragen, tijdens de anamnese wanneer gevraagd wordt naar de verwachting van de client, als:   Wanneer?  In welke situatie? Met wie?
    2. Stel: De cliënt vindt dat hij beter hoorbaar een grote en drukke klas moet kunnen toespreken/ lesgeven. Zijn er ook situaties waarin de cliënt vindt dat hij wel goed hoorbaar is? Benoem deze. Op deze manier maakt de logopedist het leerdoel kleiner en concreter.
  3. 3. Formuleer het leerdoel: een leerdoel is altijd zo geformuleerd alsof de cliënt het al bereikt heeft.
    1. a. Een leerdoel begint altijd met de tijdsperiode
    2. b. Daarna komt er een ‘doe’ of ‘meet’ woord achter: spreekt, gebruikt, etc.
    3. c. Benoem de cliënt, maak het eigen zodat de cliënt zich ermee vereenzelvigt: Naam cliënt
    4. d. Vervolgens het gedeelte benoemen wat de cliënt wilt leren: het eigenlijke doel (de vaardigheid in meetbare termen).
  4. 4. Maak het doel meetbaar, oftewel evalueerbaar. Hierdoor bepaalt de logopedist het evaluatiemoment.
Tips:
  • Gebruik alleen concrete woorden.  Of concretiseer deze verderop in het doel.
  • Let op: een doelformulering is 1 (mogelijk samengestelde) zin.

 

Wil je het maken van SMART doelen echt onder de knie krijgen? Geef je dan op voor de met 8 punten geaccrediteerde Workshop Het Nieuwe SMART = SCART.

  • 27-8 via Zoom nog 4 plaatsen beschikbaar

  • 25-9 in Franeker nog 3 plaatsen beschikbaar

  • 9-10 in Oosterhout nog 3 plaatsen beschikbaar

Ik meld mij aan!

 

Je SMART doelen op orde hebben? Zo gezegd, zo gedaan

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *