ICF

In de vorige blog omtrent ICF is er al kort verteld over het ICF en hoe er via ICF gezondheid te beschrijven valt vanuit lichamelijk, individueel en maatschappelijk perspectief. Aan het eind van de blog is gevraagd waar jij als logopedist tegen aanloopt bij het maken van een ICF-schema. Was het puur de tijd vinden of ook hoe het ICF-schema inhoudelijk geschreven moet worden?

Ik ben aangesproken door meerdere logopedisten en in die gesprekken heb ik reacties gekregen op mijn eerste blog. Uit deze reacties blijkt onder andere dat de werkdruk inderdaad een groot punt is, en daardoor er vaak niet aan toe gekomen wordt om een uitgebreid ICF-schema te maken. Maar ook heb ik meerdere malen vernomen dat het indelen van de problematiek als erg lastig wordt ervaren. Zoals meerdere logopedisten aangeven, is het een systeem waar de meesten niet in zijn opgeleid. Door de werkdruk is er ook geen tijd je hierin te verdiepen, dus ontstaan er meerdere vraagtekens.

In deze blog wil ik jou vertellen wat mijn trucjes tot een volledig ICF zijn. Waar staat elk kopje voor en hoe onderscheidt je ze goed van elkaar? Een ICF-schema bestaat uit de volgende onderdelen: Ziekte/aandoening, Functies/Anatomische eigenschappen, Activiteiten, Participatie, Interne factoren en Externe factoren. In deze blog zal ik ingaan op alle onderdelen.

Stap 1: Ziekte/aandoening

Te beginnen met ‘Ziekte/aandoening’. Hier schrijf je puur op welke ziektes en aandoeningen en zijn geconstateerd bij de cliënt.

Stap 2: Functies/anatomische eigenschappen

Hierna ga je gelijk door naar het kopje ‘Functies/anatomische eigenschappen’. Beter gezegd: verlies of afwijkingen van functies en anatomische eigenschappen. Bijv. een CVA aan de linker hemisfeer valt onder ‘Ziekte/aandoening’, dan valt de Afasie onder het kopje ‘Functies/anatomische eigenschappen’. Nog een voorbeeld is een cliënt met het syndroom van down die naar de logopedist komt voor eet en drink problematiek. Het syndroom van down valt onder ‘Ziekte/aandoening’. De eventuele slikproblematiek die hierbij zou kunnen komen kijken valt onder ‘Functies en anatomische eigenschappen’. Als je je testgegevens ook in je ICF-schema wilt vermelden, plaats ze dan ook onder functies en anatomische eigenschappen.

Stap 3: Activiteiten

We gaan verder naar het kopje activiteiten. Vraag je als je dit kopje in vult af: wat kan iemand wel en niet? Activiteiten zijn onderdelen van iemands handelen en als daar beperkingen in zijn: de moeilijkheden die iemand heeft met het uitvoeren van deze activiteiten. Dit kan van niet meer kunnen spreken tot yoghurt niet goed meer kunnen eten zijn. Nu hoor je van veel logopedisten dat activiteiten toch wel vaak verward wordt met participatie.

Stap 4: Participatie

Participatie is letterlijk iemands deelname aan het maatschappelijk leven. Als een cliënt participatieproblemen ervaart, zijn dit letterlijk de problemen die iemand heeft met het deelnemen aan het maatschappelijk leven. Niet meer goed kunnen eten zou dus een activiteit zijn, maar hierdoor niet meer deel kunnen nemen aan jouw eetclubje valt dan weer onder participatie, evenals in communicatie treden met de omgeving. Bij dit artikel is ook een ICF-schema bijgevoegd, ik vond dit een goed voorbeeld van wat waar ingedeeld zou moeten worden.

Stap 5: Externe en Interne factoren

De laatste stap die genomen moet worden zijn de externe en interne factoren. Met externe factoren wordt de fysieke en sociale omgeving die iemand functioneren beïnvloedt bedoeld. Dit kunnen zowel belemmerende als ondersteunen factoren zijn.

Externe factoren bevinden zich buiten het individu en het individu heeft hier zelf dus geen invloed op. De externe factoren kunnen een positieve of negatieve invloed hebben op de participatie van het individu als lid van de samenleving, op het uitvoeren van activiteiten van het individu of op de functies en anatomische eigenschappen van diens organisme. Een omgeving met belemmerende factoren, of zonder ondersteunende factoren, zal iemand beperken in de uitvoering. Een andere omgeving met meer ondersteunende factoren kan de uitvoering verbeteren.

Interne factoren zijn kenmerken van het individu die geen deel uitmaken van de functionele gezondheidstoestand. Dit zijn dus kenmerken van iemands individuele achtergrond zoals leeftijd, geslacht, sociale status, culturele achtergrond, levenservaring en dergelijke. Ze kunnen alle, of elk afzonderlijk een rol spelen bij het krijgen van functioneringsproblemen op elk niveau.

Hoe ervaar jij dit?

Ik ben heel benieuwd hoe jij het ervaren om alle punten goed onder te delen in het ICF. Welke vind jij het lastigst te onderscheiden of ben jij hier juist super goed in? Ik ben heel benieuwd!

Training nodig?

Bij de trainingen van ‘Zo gezegd, Zo gedaan’ leer je ook hoe je een ICF schema goed in elkaar zet. Kijk hier om te zien welke training het best bij jou past!

De weg naar succes begint met de eerste stap!

Zo gezegd, zo gedaan

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *